VROEGER
Er gebeurden vroeger, in de tijd van onze voorouders, dingen die wij vandaag niet (meer) begrijpen. Thans zijn de dijken hoger en steviger, zijn er andere grenzen, zijn rangen en standen van een andere orde dan vroeger en ook de kerk neemt een andere plaats in in onze hedendaagse samenleving. Daarover zijn leuke, interessante en zelfs 'spannende' verhalen te vertellen en soms leveren die verhalen of archiefstukken indirect informatie op over (de geschiedenis van) onze familie.
Zo is er (1) het verhaal van de verbrande krib in de rivier bij Pannerden, waardoor het geboortejaar van Lambert Fontei(j)n (via een getuigeverklaring* bij een schietpartij in het jaar 1699) duidelijk werd in een periode waarvan geen doopboeken bewaard zijn gebleven. Frans Staring spitte in de archieven en stelde dit spannende verhaal op (Bron: De Waordsman 2002-04): *Interrogatoria gerightelijk overgegeven door den volmachtiger van Sijne HooghGraefl.Excellentie Den Heere Grave van den Bergh, omme daer over scherpelijck ende onder eede te examineren ende te verhooren (o.a.) Lambert Fonteijn out 56 Jaer [Archief Huis Bergh inv.nr.6147 - 6149: Pannerden 8-1-1700]
In de zomer van 2005 schreef Frans Staring wederom een verhaal (2), dit keer over "het Roomse kerkhuis" in Pannerden: "Monumentendag 2005 staat in het teken van "monument en religie". Aanleiding voor mij om in de eerstkomende Waordsman (juni 2005) een kort artikel te maken over het Roomse kerkhuis in Pannerden. Vorig jaar april heb je me een fragment van een kaart gestuurd, waarop die Roomse kerk staat aangegeven. Dat fragment heb ik bij mijn verhaal gebruikt"
THINGS FROM OUR PAST
Long ago things happened which we don't understand (anymore) today. Now our dikes are higher and firmer; we're facing todays borders; ranks and scores are of another importance then they were in the past and also the church has become different in our contemporary society.
Nice and interesting and even 'thrilling' tales can be told and sometimes those stories or documents bring us information on the history of our family. E.g. there is the tale of the "burned krib" in the river near Pannerden, as a result of which we learnt indrectly the exact year of birth of Lambert Fontei(j)n (by means of a witness declaration* on a gunfight in the year 1699) in a period of which no baptism books are kept. French Staring dug into the files in the archives and wrote this (not so fairy) tale.
DE VERBRANDE KRIB IN PANNERDEN
door Frans Staring bron: De Waordsman 2002/4 Inleiding Het beheer van de rivieren wordt tegenwoordig namens de Nederlandse regering uitgevoerd door Rijkswaterstaat. Tot aan de Franse Tijd hadden de verschillende provincies of gewesten hun eigen bestuur. De oude dijk- en waterrechten binnen Gelderland werden in de 17e eeuw door de Staten van Gelderland samengebracht in het 'Groot Gelders Placaetboeck'. Het vormde feitelijk een schriftelijke neerslag van hetgeen al eeuwenlang als ongeschreven wetten had gegolden. De rivier, die thans bij normale waterstanden in een betrekkelijk smalle stroom binnen de winterdijken wordt gehouden, heeft vele eeuwen achtereen heel wat meer ruimte gehad. Het water verdeelde zich toen meestal in meerdere stroomgeulen. Die geulen namen nogal eens een andere koers, maar menselijk ingrijpen kon het water sturen door het aanleggen van kribben. In deze regio werden die kribben ook wel 'ritsen' genoemd of 'russen-ruschen-roesen-ruijssen' (de schrijfwijze verschilt nogal eens). Anders dan de huidige kribben in de rivieren werden vroeger 'ritsen' opgetrokken uit palen en vlechtwerk van rijshout (tuijn- of tuunwerk). Het belangrijkste doel van kribben was om op de ondiepe stroomgeulen land aan te winnen. Beneden een nieuw aangelegde krib bleven immers kleideeltjes hangen. Na verloop van tijd werd zo'n ophoging in het water zichtbaar en om het proces van aangroeien te versnellen werden er dan bosjes stro ingestoken. In een later stadium werd het nieuw aangewonnen land bepoot met wilgen (rijshout). Dan was er sprake van een 'rijswaard' (griend). Het leggen van kribben had niet uitsluitend de aanwinning van land tot doel. Vooral op plaatsen waar weinig of geen ruimte was tussen de rivierstroom en de dijk kon met kribben het gevaar van een dijkdoorbraak worden verminderd (en voor de overzijde worden vergroot). Het scheelde aanzienlijk in het onderhoud van de dijk als het voorland minstens een breedte had van 15 roeden. Om het overmatig aanleggen van kribben tegen te gaan werd er door de Staten van Gelderland in 1662 een 'placaet tegens het onbehoorlijck kribben in den Neder-Rijn' uitgevaardigd. Daarin was onder meer vastgelegd tot hoever een krib in de rivier mocht steken. Pannerden was eertijds als een Vrije Heerlijkheid het bezit van de Graven van den Bergh. Op het kasteel in 's-Heerenberg werd bepaald wat er wel en niet in Pannerden gebeurde. Wel waren de Heren van Bergh gehouden de verordeningen van de Gelderse Staten in acht te nemen. Pannerden was tenslotte Gelderse bodem. Aan de andere zijde van de toenmalige Rijn (nu Oude Rijn) tegenover Pannerden lag de buurtschap Leuffen. Dat gebied viel onder het Ambt Liemers en maakte tot 1816 deel uit van het voormalige hertogdom Kleef. Regels door de Gelderse Staten vastgesteld waren in Kleefs gebied niet bindend. In het Gelders-Kleefse grensgebied leidde dat met betrekking tot de aanleg van kribben in de (Oude) Rijn tussen het Berghse Hoofd in Pannerden en het iets verderop gelegen eilandje Kandia tot onenigheid tussen de Graaf van den Bergh en de dijkstoel van de Liemers. De onvrede over de bekribbing aan Liemerse kant bracht de Berghse lieden er toe, dat zij in de jaren 1681-1682 aan Kleefse zijde 'eenige kribben hebben wegh gehouwen ende het holt daer van doen verbranden'. De irritaties daarover bleven tussen beide partijen bestaan en in 1699 kwam dat tot een uitbarsting.
De Liemerse bandijk De huidige Leuffense dijk vanaf de Oliemolen onder Ooij-Zevenaar tot achter in Groessen is er gekomen, nadat in 1799 een belangrijk deel van de oorspronkelijke buurtschap Leuffen was weggespoeld. De Jesuitenwaaij bij Groessen kenmerkt nog steeds de gevolgen van de dijkdoorbraken toen. [kaart] Kaart van de buurtschap Leuffen, getekend door A.W.A. Bruins naar de atlas van het Ambt Liemers uit 1735. Onder nummer 31 staan "die Kaalopsche Kribbe", "die Schlange Kribbe" en "die Neüe Landts Kribbe". Eerder lag de dijk aan de Liemerse kant van de (Oude) Rijn veel dichter bij de rivier, waarbij de bocht in de Rijn vanaf de Gelderse Waard naar de buitenkant toe steeds verder uitschuurde. In 1690 verklaarden de Liemerse geërfden dat zij voor meer dan 200.000 rijksdaalders kribben hadden aangelegd, vooral ter bescherming van de schaardijken langs de Rijn. Zonder deze defensie zou de bocht steeds groter worden. Door de Liemerse kribwerken werd het water naar de kant van de Pannerdense Waard gestuurd. Het oudhoevig land, zoals de term luidde, brokkelde langzaam maar zeker af. In opdracht van de Graaf van den Bergh werd de situatie door de Gelderse landmeter Gerard Passavant op 24 november 1695 in ogenschouw genomen en een dag later als zodanig in kaart gebracht. Hij constateerde dat ter plaatse 'sigh een groot aen wassent Sant uijtstreckte, soo danigh dat aldaer voor de Cours der Revier bij dit extra ordinaer laegh water niets overbleef als een kleijn Canaeltje'. Tevens was er 'een nieuwe Crib uijt geleijt niet alleen door dit Canaeltje maer selfs over de drooge grint ter lengte van omtrent 280 passen of 60 Roeden, streckende met de punt soo verre overt Sant dat tussen deselven en den Dijck of Schaer vant Rijsweertje onder de Crib een distantie is van 205 passen of 45 Roeden, en van gedagte punt overt drooge sant tot aent schaer vande overleggende wijlanden van Sijn Excellentie den Heer Grave van den Bergh 210 passen of 46 Roeden'. De nieuwe krib lag 'ongeveer ter halver breete, daer men in Gelderlandt volgens placaet d'Anno 1662 maer tot een darde part magh Cribben'. De bevindingen van de landmeter werden in het begin van december 1695 gevolgd door een conferentie tussen afgevaardigden van Oswald Graaf van den Bergh en de dijkstoel van de Liemers 'ter plaetse allwaer den Dijckgraeve ende Heijmraeden in de Lijmers t'onsen hoochsten naedeel een seer schaedelijck Cribben hebben doen uijtstecken'. De Graaf gaf zijn vertegenwoordigers, de Ambtman van Pannerden en de Richter van Westervoort, de opdracht mee om 'so noodigh uijt onsen naeme te protesteren'. [TEKENING] Situatietekening door G. Passavant d.d. 25-11-1695 (foto P. Bresser, archivaris Huis Bergh). De Pannerdense Waard De Galgendaalse dijk is pas van recente datum, aangelegd nadat het gemaal Kandia in 1970 in werking kwam. Eerder werd de Pannerdense Waard, destijds ook wel 'Berghse Ward' genoemd, slechts omsloten met zomerdammen en voordat het Pannerdens Kanaal ontstond, sloot de Deukerdijk als Rijnbandijk in Pannerden aan op de Overbetuwse bandijk. Daardoor vormde de Pannerdense Waard een op zich zelf staande buitenpolder, die vrijwel uitsluitend eigendom was van het Huis Bergh. Op 8 december 1699 werd in Zutphen tijdens de algemene vergadering van de Staten van Gelderland, de Gelderse Landdag, een klacht besproken van de Graaf van den Bergh. Daarin werd uiteengezet 'hoe dat die van het Ampt Lijmers in den Rhijn tegens over Pannerden aen die Cleefsche zijde van tijdt tot tijdt verscheijdene maelen door het Canael van die reviere heen gewerckt, telckens met schuppen eene nieuwe grift gemaeckt ende die reviere daer in ende doorgedreven'. Kort te voren waren er door de Liemersen opnieuw kribwerken gemaakt die nog geen 25 roeden van de Pannerdense zijde afbleven. Het gevaar bestond nu 'dat bij het minste hooghe waeter den stroom geheelijcken achter door het Pannerdensch met gewelt sal worden doorgedronghen'. Om dat tegen te gaan had de Graaf opdracht gegeven 'met een kleijne rusch het landt vast te maecken, blijvende nochtaens binnen s'landts, sonder den bodem van die reviere in het alderminst te raecken'. Als reactie daarop waren er in de voorbije weken van de Liemerse kant bedreigingen gevolgd. Daar wilde men de aanleg van de krib door de Graaf van den Bergh ongedaan maken. Hoewel aanvankelijk niet met zoveel woorden gezegd, was het protest gebaseerd op de regel dat niet gekribd mocht worden tegenover een schaardijk. In elk geval was vanuit de Liemers de regering in Kleef geïnformeerd en nu gaf de Graaf van den Bergh de Staten van Gelderland te kennen bevreesd te zijn, dat er van die kant 'ijets feijtlijcks' ondernomen zou worden. Dan was de strijd om de krib niet alleen een aangelegenheid van hem ten opzichte van zijn graaflijke domeinen, maar ook een zaak van het Gelderse landsbestuur. Hij verzocht daarom om vanwege het Provinciale Hof 'bij dit tegenwoordige leeghe water' de situatie aangaande 'die voorschreven kribben ende wercken' te inspecteren. Ter vergadering besloten de Gelderse Staten om uit het Hof en de Rekenkamer van Gelderland een commissie samen te stellen die gemachtigd werd de belangen van de Graaf van den Bergh 'en van de Hoogh en Gerechtigheit deser Provincie' te behartigen.
Peter Janssen Op de Pannerdense Waard vlak bij de aangelegde Berghse krib woonde Peter Janssen (Jansen) met zijn gezin. Afgaande op de in Hulhuizen geregistreerde rooms katholieke doopinschrijvingen van zijn kinderen werd hij ook Peter Derrixsen (Derksen) genoemd. Wellicht was hij een zoon van de in 1689 als doopgetuige vermelde Derrick Janssen. Door de Graaf van den Bergh was het hem vergund geweest een huisje te bouwen op een weide, welke was afgenomen van een grotere hofstede gepacht en bewoond door Lambert Fonteijn. Feitelijk was het maar een schamel onderkomen. In enkele verslagen is dan ook sprake van een hutje 'door Leem en Stroij van buijten ende door Tuijnwerk van binnen opgemaakt ende afgeschoten'. Hij woonde daar met zijn vrouw Naleken Grob (Nalicken Grobbe), een oude blinde moeder 'ende ses onnosele kinderen'. Een ander relaas spreekt over zes kleine kinderen, een 'oude onnosele moeder ende ongeluckige ongesonde vrouw'. Op 16 december 1699, door het verschil in tijdrekening ook gedateerd op 26 december (zie noot), 'bij nacht slaepender tijdt op den tweeden kersdagh nieuwen stijll', kwamen van de Liemerse kant zo'n 100 tot 150 gewapende boeren, knechten 'ende andere opgebodene met Gavels, Roere ende Houwelen voorsien ende mit tortsen ende brandtgereetschap in hare handen van den Cleeffsen op den Geldersen grondt door de Reviere'. Vervolgens sloopten zij de Berghse krib, braken de omheining af rond het moeshofje van Peter Janssen, trokken het stro uit het dak van zijn huisje en staken daarmee al het kribwerk in brand. Peter Janssen, 'horende het geraas omtrent de Roese' welke al in brand was gestoken, ontvluchtte aan de achterkant zijn huisje 'sonder enig geweer bij sig te hebben'. Daar bemerkte hij 'die van de oversijde of enige van haar' achter een hooimijt staande. Zij lieten hem passeren en aanstonds daarna losten zij twee schoten met hagel op hem waardoor hij 'so deerlijk werd gequetst', dat hij op de grond viel. Gevraagd wat dat alles beduidde, had hij geen ander antwoord gekregen 'als dat zij luijden order hadden van hare Heeren ende den Cheurfurst, en dat zij alles mogten doot slaan'. Door zijn vrouw en kinderen was hij weer in huis gebracht, 'ten deelen gedraegen ende ten deelen geslopt'. Het geweld tegen hem was toen nog niet voorbij, omdat 'nogh twee parsonnen van de Ruijsse af bunnen gekommen die gevraeght hebben of Peter Janssen nogh leefde ende so wanneer nogh leefde, dat sie hem voort doot wilden slaen, dreighende sinne vrauw ingelicks int huis te willen dootslaen, so wanneer sigh niet wilde gerust holden'. De gerichtelijke verhoren Uit naam van de Graaf van den Bergh werd op 19 december 1699 (oude tijd) door het Gericht van Pannerden begonnen met verschillende mensen onder ede te horen over 'die gewaltdadige actie die daer is geschiet aen de Ruijs geleit op den Berghsen Wardt alsmeede de aen de parsoon van Peter Janssen den 16 deeses voorschreven maents december'. Als eerste gingen Peter Gisbers als stadhouder van Pannerden samen met de schepenen Derick van Willick en Teunis Renssen, in aanwezigheid van de landschrijver (secretaris) Derck Rutgers van Haren, naar het huisje van Peter Janssen om hem en zijn vrouw te ondervragen over 'het schieten achter in sinnen Bill'. Peter Janssen, 'swaerlick geblesseert ende mit goede verstand op sin bedde liggende, seit dat verscheijde luijden uijt de Lijmers op Saterdagh den 16 deeses maents december des avonts tussen ses a seuven Uhuren over den Rhijn aen sin huis bunnen gekommen, mit namen Evert Dericksen van Leuven, Dries Klappers van Oldt Sevenaer, den Scheutter van Oeij, Casper den Werckbaes, Steven van Bolderen, Evert Rutgers van d'Oldekerck, Jan van Leuven ende veel meer andere die hije niet wiste te noemen, te samen versien met axen, misthaecken, hauweelen ende ander dergelicke'. Voorts verklaarde hij, dat de twee schoten op hem waren afgevuurd voor het 'opbreecken ende afbranden van de Ruijsse'. Daar kon hij dan ook niets over vertellen.
Zijn vrouw Naleken Grob verklaarde evenwel dat zij, nadat haar man beschoten was, naar de krib was gegaan 'alwaer die Lijmersen besigh waeren van dieselve op te breecken ende te verbranden'. Daar had zij 'den Heimraet Becher van Sevener' aangetroffen aan wie zij de miserabele toestand van haar man had verteld. De heemraad had haar 'soecken te troosten, seggende dat sie daer over aen haere Heeren niet al te seer saude claegen', dat haar man dan door 'den Barbier' (chirurgijn) verzorgd zou worden, 'ende oick dat aen haer Man eennen goeden penningh saude worden gegeven'. Hij zou dat voorstellen aan de Liemerse heren 'die aen de oversijde aent huis van de weduwe Spaen gelegert waeren'. Daarna had heemraad Becher twee lieden die bezig waren de krib af te breken naar Zevenaar gestuurd om 'den Barbier Barnardt te haellen die oick op desselfs ordre bij haer Man is gekomen in den Naght'. Op 22 december 1699 vond in Pannerden de ondervraging plaats van 'den Chirurgien Alexander Bernardt van Zevenaer'. Volgens zijn zeggen was hij 33 jaar oud en was hij op 26/16 december door twee boeren opgehaald 'ende geroepen geworden om te visiteeren, verbinden ende vorders in acht te nhemen Peter Janssen'. Hij had van niemand speciale opdracht gekregen, maar was 'upt roepen van die twee Bourren' overgevaren 'ende bij den gequetsten gekomen'. Op de vraag in welke toestand hij de patiënt had aangetroffen, verklaarde de chirurgijn dat Peter Janssen 'mit kogel te sin geschooten geweest daer men wel een haes mit schiet ende dat hij getroffen is achter in sin reghter bill neerwardtz af tot aen de waeijen, dat oick eenige hagel boven in de lenden waeren gekomen'. Verder oordeelde hij hem 'gans buitten gevaer te sin'. Nadat hij Peter Janssen verbonden had, was hij 'int terugh gaen naer Zevenaer aent huis van de weduwe Spaen' gekomen, waar de Richter van Zevenaar, 'den Dijckverwalter' (dijkgraaf) van de Liemers, de procurator Becher en 'alle die heeren vant Dijckcollegie' bij elkaar waren. Hij had hen gevraagd wie hem het 'Meisterloon' zou betalen. De Liemerse heren hadden hem geantwoord, dat hij goede 'sorge saude hebben voor de genesunge van den gequetsten'. Daarna zouden zij wel zien wie hem daarvoor zou betalen. Op 8 januari 1700 verschenen voor het Pannerdense Gericht vijf daartoe opgeroepen personen die goed op de hoogte waren van de situatie op de Pannerdense Waard. Het waren Jacob Helmigh oud 63 jaar, Cornelis Helmigh 30 jaar, Lambert Fonteijn 56 jaar, Jan van der Borght 60 jaar en Evert Rutgers 45 jaar oud. Zij waren allen pachters van Huis Bergh in Pannerden en zij bevestigden, dat het oorspronkelijke land langs de zuidkant van de Rijn veel groter was geweest. Daarvan resteerde nu nog slechts een polleke welk ooit had vastgezeten aan 'den Lantschrijvers Weijde'. Van de verscheidene wilgen die er gestaan hadden, waren er sinds het kribben door de Liemersen maar drie of vier 'die daer tegenwoordigh nogh overbennen'. Ook gaven zij te kennen dat het lijnpad (van waar een schip met paarden werd voortgetrokken) altijd tussen het polleke en de rivier had gelopen toen het gebied nog een waard was geweest, 'van onderen, te weeten Willem Peters huijs offte daer Thomas Ansems tegenwoordigh woont, tot aent kerspel Aert soo wijtt als de Heerlickheijt Pannerden langhs den Rhijn gelegen is'. Er was voorheen geen scheiding geweest tussen het polleke en de weide 'als sedert dat die Cleeffsche in eenige jaeren herwaerts met gewelt van kribbe wercken den stroom tusschen de voorschreven weijde en het polleken hebben doorgedrongen', en dat 'die Leghte die daer tusschen beijde bevonden wierde' begroeid was geweest en geweid werd. [KAART PASSAVANT]
In opdracht van de Ambtman van de Heerlijkheden Pannerden en Millingen als representant van de Graaf van den Bergh vervaardigde de Gelderse landmeter Gerard Passavant op 2 december 1700 een kaart van de water- en kribwerken welke in de nabijheid van de Pannerdense Waard waren aangebracht. Onderaan heeft de landmeter zijn toelichting geschreven bij de door hem gebruikte letters en getallen.
De onderzoekscommissie Volgend op de gerichtelijke verhoren in Pannerden wendde de gevolmachtigde advocaat van de Graaf van den Bergh zich op 10 januari 1700 tot het Hof en de Rekenkamer van Gelderland. Breedvoerig werd de hele zaak nog eens uiteengezet, waarbij werd verwezen naar de door de landmeter G. Passavant vervaardigde kaart. De Heren konden dan daaruit aflezen, dat 'de Reviere off den Stroom volcomen toegemaeckt' was. Behalve de kaart waren ook de getuigenissen voor het Pannerdense Gericht bijgevoegd. Tegen het openbaar geweld dat 'op den Geldersen gront' was gepleegd, moesten effectieve maatregelen worden genomen, aldus de advocaat.
Op het ingediende rekest werden twee leden van het Gelderse Hof en een rekenmeester van de Rekenkamer gecommitteerd om samen met de Ambtman van Overbetuwe het voorgevallene nader te onderzoeken. Op vrijdag 19 januari daaropvolgend 's morgens om elf uur zou het gezelschap bij het Berghse Hoofd zijn. Het stijgende rivierwater maakte echter de tocht naar Pannerden onmogelijk en twee maanden later had het bezoek nog steeds niet plaatsgevonden. De advocaat van de Graaf van den Bergh schreef op 14 maart 1700 weer een zeer uitvoerige brief 'vermits het onbequaeme water tot nogh toe den voortgangh niet heefft connen gewinnen ende dat seer onseecker is off die nogh wel in langer tijdt sal connen voortgaen als sijnde het water op de Wael al voorgisteren ende nu oock op den Rijn geraeckt aen te wassen'. Maar wanneer die van de Liemers niets vanwege het Gelderse Hof in Arnhem zouden vernemen, zouden zij 'dese saecke quasi in de windt slaen, dat oock ondertusschen de affgebrande Gelderse Kribbe als affgebrandt blijft liggen, den Gelderse grondt dat daar comt aff te lopen en den elendigen armen Man ende ongeluckige familie in de uijterse miserie verblijft'. Hij verzocht andermaal om maatregelen, zodat de loop van de rivier niet verder gehinderd en 'den armen gequetsten Man ende sijn ongeluckige ende al te droevigh Huijsgesin als Ingesetenen deser Provintie in haer uijtersten armoede gesoulageert ende getroost' werd. Opnieuw werd er door de commissie een datum vastgesteld en de Ambtman van Overbetuwe kreeg bericht om op donderdag 21 maart 1700 'des morgens de klok negen uiren omtrent het Bergse Hooft' aanwezig te zijn. Op de afgesproken dag vertrokken de heren vanuit Arnhem 's morgens omtrent half zeven met twee 'Barlijnen' (bedoeld zijn 'berlines', een type reiskoets zoals die nog wel bij voorkomende gelegenheden wordt gebruikt). Om ongeveer 9 uur arriveerden zij bij de Peppelgraaf, tegenover Kandia. Van daar liepen zij, voorzien van de kaart van de landmeter Passavant, te voet langs de rivier naar het Berghse Hoofd. Ondertussen werden de nodige toelichtingen verstrekt door de Pannerdense landschrijver van Haren en de Ambtman Verheijden. Volgens de Ambtman had hij nog aangeboden de omstreden krib te zullen verwijderen, als die van de Liemers de twee ver over het midden van de rivier stekende 'starten van haar Slang-krib' zouden weghalen 'het welke bij haar soude sijn geweijgert'. Halverwege het traject werd de 'roese ten deelen verbrant ende ten delen afgehouwen bevonden'. Daar vandaan gingen zij naar 'het Huttie van Peter Janssen, staande regt tegen over het Polletje', waar zij hem 'op een slegte Bedstede' vonden. Meegekomen was ook Johan Ontijt, chirurgijn wonende in Gendt, die hem onderzocht en vaststelde, dat hij 'door seer groven hagel in sijn rug ende nederwaarts jammerlijk was gequetst'. Tegenover de commissie deed Peter Janssen zijn verhaal, waarna zijn vrouw vertelde, dat 'den Bode van Sevenaar haar ook wegens de Cleefse Heeren hadde gevraagt of zij ook rog van noden hadde'. Zij had dat eerst niet zonder toestemming durven aannemen, maar daarna had zij een 'half malder Rog tot Sevenaar op een Briefje van den Buijten Muller' gehaald. Ook had zij van tijd tot tijd 'omtrent tien gulden aan gelt van den Borgemeester aldaar genoten'. Een Kleefse bode had haar gezegd, 'so zij niet wilde klagen dat de Cleefse Heeren haar wel honderd Rijks daalders Hollants gelt souden geven'. Rond half elf kwam de commissie aan het Berghse Hoofd. In het huis van de veerman werden nog enkele getuigen gehoord. Allereerst waren dat Jan Everts, oud 28 à 29 jaar, en zijn vrouw Jenneken Jacobs, oud bij de 35 jaren. Zij woonden 'mede in een Huttie staande digt bij dat van Peter Janssen'. Beiden verklaarden schoten te hebben gehoord op de avond dat de Liemersen de krib verbrandden. Kinderen van Peter Janssen waren toen bij hen gekomen en hadden gevraagd of Jan Everts hun vader wilde komen helpen die neergeschoten onder de bomen lag. Jan Everts, het rumoer horende, was daarop achter uit zijn huisje naar zijn zwager Cornelis Helmigs gegaan, kruipende op handen en voeten met een gaffeltje in zijn hand uit vrees dat hij ook geraakt zou worden. Zijn vrouw was alleen in huis gebleven. Zij hoorde om ongeveer tien uur 's avonds, dat er drie of vier maal op haar deur werd geslagen zonder dat iemand liet weten wie hij was. Zij had nog snel de deur van binnen toegemaakt en hoorde daarna 'krioelen ende singen, so zij meent so wel van vrouwen als mannen en dat zij een tijt lang ront om haar huijs hebben gegaan'. Nooit had zij groter angst doorgemaakt, vertelde Jenneken Jacobs aan de heren gecommitteerden. Jan Everts zei verder nog, dat hij niet alleen diezelfde nacht, maar ook verscheidene nachten daarna vele schoten van de Liemerse zijde had gehoord. Overdag was het steeds rustig gebleven. De volgende getuigen waren Hendrik Hoet, oud omtrent 40 jaar, en Gerrit Hoet, 25 jaren oud, beiden wonende in Pannerden. Ook zij verklaarden dat na het verbranden van de krib wel een nacht of tien achter elkaar van de Liemerse kant was geschoten. Die verklaring werd ook afgelegd door Jacob Grob, oud 27 jaar, en Thomas Leenerts, oud 22 jaar. Beiden woonden op de Pannerderse Waard. Volgens hen was er met scherp geschoten, want zij hadden het fluiten van de kogels gehoord. Naar werd gezegd, was Peter Janssen beschoten door een ruiter en een schipper uit het Loo genaamd Evert. Cornelis Jacobs, 30 jaar oud en wonende te Pannerden, verklaarde 'het branden van de krib gesien en verscheijde nagten het schieten met scherp gehoort te hebben, maar niet het suijsen van de kogels, omdat hij uijt vrees van gequetst te worden daar so digt niet dorste bij koomen'.
Het vervolg In aansluiting op het zeer gedetailleerde rapport van de commissie werd de Graaf van den Bergh door het Hof van Gelderland aangeschreven. Vanwege het Richterambt Westervoort was heemraad in de Liemers ene Francois Schlaun (ook geschreven als "Sloen" en "Schlum"), woonachtig in Westervoort. Net als Pannerden was Westervoort een Heerlijkheid van de Graaf van den Bergh en zo zou zijn eigen vertegenwoordiger uit Westervoort betrokken zijn geweest bij een actie gericht tegen de belangen van de Graaf in Pannerden. Omdat Westervoort onder de jurisdictie viel van Huis Bergh, werd verzocht deze Schlaun te kunnen ondervragen, waarna hij in opdracht van de Graaf van den Bergh door burgemeester en schepenen van Arnhem werd gehoord. Daar verklaarde hij niet bij het ruïneren van de Berghse krib in Pannerden aanwezig te zijn geweest. Later wordt duidelijk, dat hij in Zevenaar bij de dijkgraaf thuis het gebeuren had afgewacht. Verklaringen van de Liemerse dijkgraaf Andreas Hendrick Hecking en van de heemraden Henrick Becher en Herman Pabst verhalen omstandig waarom de dijkstoel had gemeend te moeten optreden tegen het aanleggen van de krib op de Pannerdense Waard. De Graaf van den Bergh had immers een 'gantsch schadelijcke kribbe tegens onsen gevaerlijcken schaerdijck doen maecken'. De stellingname van Berghse zijde, dat de Liemerse kribwerken slechts het privé-belang dienden van heemraad Becher en van Jonker van Leeuwen uit Zevenaar, maakte de onderlinge verhoudingen er niet beter op. Gezien de politieke situatie verliep de communicatie tussen partijen via de landsbesturen in Arnhem en in Kleef. Van Berghse zijde richtte men zich tot het Hof in Gelderland. Om de benodigde informatie te verkrijgen schreef het Hof in Arnhem naar de regeringsraden in Kleef die zich op hun beurt richtten tot de Liemerse dijkstoel. Het antwoord uit Zevenaar werd weer naar Kleef gestuurd, van waaruit het doorging naar de 'Herrn und benachbarten Freunden' in Arnhem om vervolgens weer ter hand te worden gesteld aan de advocaat van de Graaf van den Bergh. Daarmee verzandde de hele toestand in heen en weer geschrijf. Een en ander werd nog eens bemoeilijkt, doordat de gevolmachtigde advocaat kort na 15 juni 1700 een 'seer sabijten overvall gekregen hebbende ende daeraen nijet lange daernae zijnde coomen te overlijden'. In zijn plaats trad de Ambtman van Pannerden op, maar in 's-Heerenberg beschikte men niet over de stukken van de overleden advocaat, welke men 'nijet eer als nae desselffs begraeffenisse met veele moijten en lange opsoekens is machtigh geworden'. Zo volgde de ene vertraging op de andere. In 1703 blijkt, dat er feitelijk geen enkele vordering was gemaakt in het 'ontstaene different ende abuijs tusschen den Heere Grave van den Bergh wegens 't leggen der kribben en die van de Lijmersche Dijckstoel'. Ondanks dat de bestuurders in Arnhem en Kleef hun best deden om als goede buren 'dese tweespalt ende oneenigheit te kunnen wegnemen', bleven de Berghse en de Liemerse heren op hun standpunten staan. In 1708 vormde het verschil van opvattingen nog steeds onderwerp van correspondentie tussen Arnhem en Kleef, maar tot een oplossing kwam het ook toen niet. Uit de verschillende transacties aangaande de Raaijhof in Pannerden blijkt, dat de verbrande krib tot een begrip was geworden. In 1728 verkocht de Graaf van den Bergh de bouwhof met bijbehorende rechten, welke na een gerichtelijke executie in 1766 weer door het Huis Bergh werd teruggekocht. Alle betreffende akten vermelden het recht van visserij in de Oude Rijn, telkens omschreven als 'beginnende van boven van de soo genoemde verbrande Cribbe en eijndigende beneden aan het eijnde van voorschreven Rijsweerdtje'. Noot: In 1582 werd door paus Gregorius XIII een verbeterde kalender ingevoerd die een verschil van tien dagen overbrugde met de tot dan toe geldende Juliaanse kalender. Het onderscheid werd wel aangegeven met de vermelding van oude of nieuwe stijl. De Gregoriaanse kalender werd echter niet overal gelijktijdig ingevoerd. In Gelderland gebeurde dat pas in 1700. Daarmee liep deze provincie met de gebruikte datering tien dagen achter op bijvoorbeeld Holland. In het Gelders-Kleefse grensgebied komen in 17de eeuwse stukken soms beide dateringen voor. Men schreef dan bijvoorbeeld 26/16 december 1699. Bronnen: Archief Huis Bergh te 's-Heerenberg Archief Hof van Gelre te Arnhem Oud Rechterlijk Archief Pannerden te Arnhem Doopboek R.K. Hulhuizen 1681-1706, Gelders Archief te Arnhem A.A. Beekman, Het Dijk en Waterschapsrecht in Nederland voor 1795, 's-Gravenhage 1905 Dr.G.P. van de Ven, Aan de wieg van Rijkswaterstaat, Zutphen 1976 J.W. van Petersen, De Waterplaag, Zutphen 1978 A.W.A. Bruins, Atlas van het Ambt Liemers, Zevenaar 1999 Reacties: waordsman@fontijn.org
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Waar gingen de Pannerdensche Fonteinen naar de (Roomse) Kerk? Waar lieten zij hun kinderen dopen in de tijd van de Reformatie? Hulhuijsen, en later, toen het Pannerdens Kanaal werd gegraven, in Aerdt, zo leerde ons onderzoek, maar... er was ook sprake van een Roomsche (schuil)kerk in Pannerden in die Reformatiedagen, zo las ik ergens. Op een dag vond ik bij toeval een wonderschone landkaart van Pannerden in die dagen en voor het eerst werd de exacte locatie duidelijk! Frans Staring dook in de boeken en schreef er het volgende verhaal over:
HET KERKHUIS OP DE PANNERDENSE WAARD door Frans Staring
Bron: Waordsman 02/2005
Reformatie in Pannerden In de strijd tegen Spanje gedurende de Tachtigjarige Oorlog vormde de godsdienst een onmisbaar middel om het politieke doel te bereiken. Als gevolg daarvan werd in Gelderland bij resolutie van 21 januari 1587 'die afgodische misse', de kinderdoop en de huwelijksbevestiging 'na de papistische wijs' verboden en de hervormde godsdienst tot officiële staatskerk uitgeroepen. Daarmee moesten ook de kerkelijke goederen worden overgelaten aan de aanhangers van de gereformeerde kerk (zie Rijnstrangenreeks I, maart 2002). De inwoners van Pannerden zochten hun heil in het naburige dorp Hulhuizen, toen Kleefs territorium. Ooit stond er een kasteel met een kapel. Het werd de basis voor de katholieken uit de omliggende Gelderse dorpen. Al in 1610 klaagde de Nijmeegse Classis, dat de pastoor van Kekerdom, ook Kleefs gebied, de kapel in Hulhuizen benutte voor de kerkelijke diensten: 'die paep doende dienst tot Hulhuijsen'. Men besloot het Hof in Arnhem te verzoeken, dat hem 'het overkomen tot Hulhuijsen belet worde'. Mede doordat de leden van het hooggraaflijk Huis Bergh, bezitters van de heerlijkheid Pannerden, de katholieke godsdienst bleven belijden, kreeg de van bovenaf opgelegde Reformatie in Pannerden eigenlijk geen voet aan de grond.
Gedurende de Franse bezetting in de jaren 1672-1674 (zie De Waordsman 2001/3) namen de katholieken hun dorpskerk weer in bezit. Tijdens de vergadering van de Classis te Nijmegen op 29 juli 1672 werd verhaald hoe dominee Adrianus á Sprangh aankwam 'om in de kercke tot Pannerden te prediken, heeft aldaar de kercke gesloten gevonden, waerover Sijn Eerw. zig vervoegde bij den Amptman Verheijden, welcke Sijn Eerw. berichte dieselve kercke te hebben toegesloten uijt last van haer Excellentie de Gravinne van den Bergh en is deselve tot noch toe gesloten gehouden, also dat zedert daer en niet heeft konnen prediken'.
Op een rekest van 'de Catholique Gemeinte tot Panderen', waarbij het Huis Bergh verzocht werd om aan 'Joannes Verschleijn, Cappellaen tot Millingen in Clevisch landt' (bij Rees), de pastorie in Pannerden toe te wijzen, volgde op 13 mei 1673 het besluit: 'Alsoo het den Allmechtigen beliefft heefft wederom te introduceren in onse Heerlijcheit Panderen het Vrije Exercitie van die Catholike Religie ende daerom betaembt die kercke aldaer met eenen Catholiken Pastoor te versien'. De voorgedragen kandidaat kreeg de gevraagde toestemming om 'die pastorie van gemelte kercke tot Panderen' te aanvaarden, mits 'den hochwehrdigen Heer Bischop van Utrecht' hem ook als pastoor wilde installeren. De voornoemde Joannes Verschleijn werd in het bezit gesteld van de pastorie en de inkomsten daaraan verbonden, zoals 'bij voorige Catholike pastors toe recht genoeten sijnde'.
De invasie van de Fransen liep stuk op de Hollandse Waterlinie en in 1674 werden zij weer uit de bezette gebieden verdreven. In september 1674 kon de Classis weer vergaderen en de eerdere acties 'tot weeringe van de papenkerck tot Hulhuijsen' kwamen opnieuw ter sprake. Hoewel de situatie van voor 1672 weer was teruggekeerd, werkte de invloed van de twee jaren onder Franse bezetting wel door bij de burgerlijke overheid. Zolang de katholieken maar niet al te nadrukkelijk aan de weg timmerden, werd oogluikend toegestaan dat zij in een particuliere omgeving hun eigen kerkdiensten hielden.
Het kerkhuis Wanneer het Pannerdense kerkhuis in gebruik werd genomen, is (nog) niet bekend. Afgaande op de algemene gang van zaken, zal dat ergens tussen 1675 en 1695 zijn beslag hebben gekregen. Uit een relaas anno 1717 van rentmeester Ferdinand Philip van der Veecken blijkt, dat er gekerkt werd op de hofstede 'de Rijnsche Pol' in Pannerden (zie: De Waordsman 2004/1). Nadat hij eerst beschreef wat er met de zomerdam in de Lobberden moest gebeuren, vertelde hij over een ruzie tussen 'den Nieuwen kerckmeester van Pannerden' (kennelijk gereformeerd) en de (roomse) kerkmeester Jan Verborght. De niet met name genoemde nieuwe kerkmeester wilde een 'nieuwen stacket om seijne gaerde' dat betaald moest worden uit de inkomsten van de kerk. Die ruzie was zo luidruchtig, dat 'de naburen seijn geroep en gespreeck een ruijm velt daer van daen' hadden kunnen horen. Daarbij had hij gedreigd 'ons het kerck gaen op den Rijnsen Pol tot Pannerden te willen beletten'. Uit een procedure uit 1740 blijkt, dat het kerkhuis op de Pannerdense Waard bestond met instemming van het Huis Bergh.
Pastoor Rutger á Bedber Het Pannerdense kerkhuis werd bediend vanuit Hulhuizen. Namen van pastoors zijn nauwelijks te geven. Door een kwestie over het kerkhuis in 1740 is Rutgerus Jacobus á Bedber bekend. Hij wordt vermeld als 'pastor tot Hulhuijsen en Missionarius van Pannerden' (doorgaans 'Bebber' genoemd) en werkte daar al in 1732, althans dat jaar wordt op 4 augustus door het Ambt van Overbetuwe een actie ondernomen aangaande een rekening 'van den Pastoor Rut Bebber inzake wijn en mol' (bier) ter grootte van 31 gulden en 10 stuivers. Voor de zielzorg in Pannerden droeg de Pannerdense gemeenschap ƒ 150,- bij in zijn onderhoud. Uit een gerichtelijke actie van 6 oktober 1741 blijkt, dat 'Ruth Bebber' ook inkomsten had van een stukje grond in West-Pannerden. Hij werd aangesproken op 'het Roomse Hulhuijssische Pastorij plaatsje alhier in de Hondert Morgen gelegen, bewoont en gepagt bij Eijbert Barten'. Het plaatsje was getaxeert op 515 gulden, 'waarvan den tijdelijke Pastor Rut Bebber den 20ste penning schuldigh is te betalen'. Omdat de pastoor daaraan niet had voldaan, kreeg hij nog eens een boete in opdracht van de gewestelijke overheid, 'ter oorsake hij Rut Bebber met ongefundeerde uijtvlugten die betaling verwijgert en in tempore niet gedaan heeft'.
Gedeelte van een kaart waarop de situatie van de rivieren anno 1753 wordt weergegeven; helemaal rechts aan de Deukerdijk: de 'Roomse Kerk'
Pastoor van Hulhuizen contra Graaf van den Bergh Zowel het archief van Huis Bergh als het Oud Rechterlijk Archief van Pannerden geeft de kwestie weer die ontstond, doordat pastoor á Bedber in 1740 een nogal rigoureuze ingreep pleegde in het kerkhuis van Pannerden. De belangrijkste verklaring in die als belediging ervaren zaak kwam van Henricus Rippelbeek, pastoor in Terborg en kort tevoren nog kapelaan van Hulhuizen. Volgens diens op 14 juli 1740 opgemaakt relaas had 'den Heer Pastor van Hulhuijsen, Rut Jacob á Bedber', in de sacristie een gat in de muur gemaakt op de plaats 'alwaer de Heer Rentmeester Ferdinand Philip van der Veecken met sijn familie sijn bidtplaets gebruijckt'. Reden voor zijn handelen was geweest, dat de pastoor zonder door de gang en twee andere deuren te passeren aan het altaar wilde komen. Toen de pastoor en zijn vertrekkende kapelaan op vrijdag 13 mei 1740 naar het huis van de rentmeester wilden gaan, 'Ick om affscheijdt te nemen als gewesene Capellaan van Hulhuijsen om nae mijn pastoraet van Ter Borgh te gaan en den pastor om sijnen nieuwen Capellaan de Heer Johan Wilh. Köelken aen te geven', was Van der Veecken hen aan het hek tegemoet gekomen 'met een Rottingh in sijn hant'. Bij hem waren zijn vrouw en zijn zoon Frans van der Veecken. De zoon had de pastoor uitgescholden 'voor eenen kercken schender', waarop de vader had gezegd: 'Jae, gij sijt een kercken schender, en Ick verbie U mijn Huijs, en scheert U van mijn gehoöght'.
Na de aanvaring met Van der Veecken was er op 10 juni 1740 een brief uitgegaan van de 'Grave tot den Bergh Hohenzollern', residerende in Boxmeer, gericht aan Antonius Creuwel te Doesburg als vertegenwoordiger van het kerkelijk gezag. De graaf liet weten vernomen te hebben dat de pastoor van Hulhuizen, 'en dienvolgens eenen geestelijcken onderdaan van U Eerweerdigheijt', de vermetelheid had gehad 'mijne in de Pannerse Kerck sedert eenige jaeren gehadt hebbende tribune, ofte private bidtplaetse, waervan in mijne affwesentheijt mijnen Rentmeester aldaer sijn gebruijck maakte', in stukken te slaan. Hij verzocht niet alleen de pastoor te straffen, maar ook dat de pastoor 'deese mijne tribune binnen den tijt van drie weeken soo als van te vooren sal hebben te herstellen'. Als daar niet tot zijn tevredenheid aan werd voldaan, zou de graaf 'over deese begaane wanordres' zich met zijn klacht wenden aan de pauselijke nuntius in Brussel.
Met een afschrift van de brief van de graaf schreef Antonius Creuwel op 17 juni weer aan Rutgerus á Bedber (in het Latijn). Hij gaf aan niet in te zien met welk recht de pastoor de ingerichte bidplaats voor de graaf van den Bergh had kunnen vernielen. Het ware beter geweest in de minne tot een overeenstemming te komen. Hij raadde de pastoor aan de zaak met vriendelijkheid te benaderen, zodat er niet een nog grotere schade zou ontstaan. Op dit schrijven kwam een antwoord (eveneens in het Latijn) van de pastoor van Hulhuizen, mede ondertekend door zijn kapelaan J.W. Köelken. In grote lijnen kwam het erop neer, dat de aan de graaf van den Bergh verstrekte informatie volgens de pastoor op leugens berustte.
Als Ambtman van Pannerden kwam Johan van Brienen eveneens met het bericht dat de muur van de 'Tribune van het Hooghgraefflijke Huijs Bergh in het kerken Huijs tot Pannerden' deels was omver gestoten en 'een schoone Lijste waermede die muere bekleedt was' doorgezaagd. De kwestie werd gezien als 'groote versmaedinghe en disrespect' voor het Hooggrafelijk Huis Bergh. Op 26 augustus 1740 kreeg rentmeester F.P. van der Veecken namens het Huis Bergh de opdracht 'om soo rasch doenlijck geseijde Tribune in sijnen voorigen staet te doen herstellen'. De reparatie moest betaald worden 'uijt de penningen provenierende van het soogenoemde Banckengelt'.
Volgens het boekwerkje van J.H. Breuking liet rentmeester Van der Veecken het kerkhuis sluiten en na drie jaar, in 1743, ging het weer open. De meeste katholieken van Pannerden kerkten toen in het kerkhuis bij het Huis Aerdt. Het Pannerdense kerkhuis bleef in gebruik tot 1794. In de Franse Tijd werd de dorpskerk van Pannerden weer door de katholieken ingenomen.
Bronnen: Oud Rechterlijk Archief Pannerden, Archief Huis Bergh, Archief Classis van Nijmegen J.H. Breuking, Pannerden, De geschiedenis van de kerk en de parochie van de H. Martinus, 1978 |